CeeBee

vrijdag 1 juli 2005

broer

Mijn broer is zeven jaar ouder. Wij gingen vroeger naar dezelfde school. Hij zat in de hoogste klas toen ik brugpieper was. Omdat hij mij negeerde, negeerde ik hem ook. Zo ging dat.

Ik kijk tegen mijn broer op. Dat doe ik al sinds ik in staat ben om tegen iemand op te kijken. Mijn broer kan en kent alles. Bovendien is hij een kei in discussies. Ik kan heel resoluut zijn, maar als mijn broer zijn argumenten op mij los laat, geef ik hem uiteindelijk gelijk.

Mijn moeder was met mijn broer natuurlijk een beetje verwend. Mijn broer had amper begeleiding nodig en ze hoefde hem iets maar één keer iets uit te leggen. En als hij ooit al een fout maakte, maakte hij die daarna nooit weer.

Daarna kwam ik. Ik was een gezellig kind, zat graag bij mijn moeder op het aanrecht. Ik kletste, lachte en was verstrooid. Leren ging redelijk, maar vergeleken met mijn broer was ik lief, maar een beetje dom. Mijn moeder maakte de fout dat vaak hardop tegen mij te zeggen. De buurvrouw wees mijn moeder terecht. Niet alleen was het pedagogisch onverantwoord, het was ook onjuist. Ik was immers een gemiddeld kind. Ik legde het alleen af tegenover mijn broer.

Ik was toen zes jaar en ik heb mijn moeder haar uitspraak nooit verweten. Wel heb ik haar er al vaak mee geplaagd. En al 26 jaar krijgt ze dan een rood hoofd.

Een paar jaar geleden onderging ik - voor een baan - een psychologische screening. Naast de gebruikelijke testen had ik ook drie gesprekken met een psycholoog. In het eerste gesprek vroeg deze mijnheer specifiek naar het ouderlijk gezin. Op de vraag hoe ik mijn broer zou omschrijven, antwoordde ik: "briljant". Daarmee was mijn kans op de baan verspeeld, maar dat besefte ik later pas.

In het lijvige rapport dat ik drie weken later thuis ontving kon ik lezen dat ik een ziekelijke jaloezie had tegenover mijn broer. Ik zou nooit zelfstandig kunnen functioneren en een baan als advocaat was hoe dan ook te hoog gegrepen. De schrijver suggereerde nog net niet dat ik psychologische hulp nodig had.

Kapot was ik ervan. Ik begreep het niet, ik dacht dat ik mij aardig had gered in de gesprekken. Mijn broer was verder ook niet meer ter sprake gekomen.

Verdrietig liet ik mijn broer het rapport lezen. Hij maakte er korte metten mee. Steen voor steen brak hij de conclusies van de psycholoog af. Meteen voelde ik me weer beter. Toch handig, zo'n grote broer.